Het probleem van reïficatie in de GGZ

Psychische kenmerken zijn geen dingen. Dat weet iedereen toch al lang? Toch vinden wij het heel belangrijk om met deze denkstap te beginnen. Het blijkt namelijk heel makkelijk om tegen jezelf te zeggen dat je dit heus wel weet, en vervolgens in de praktijk psychische kenmerken toch weer als dingen te behandelen. Dit wordt ook wel reïficatie genoemd, oftewel “verdinglijking” – doen alsof een construct dat bedoeld is om een patroon te herkennen naar een afzonderlijk ding verwijst.

In de GGZ worden vooral de stoornisclassificaties uit de DSM voortdurend gereïficeerd. De stoornisclassificaties zijn syndromen, dat wil zeggen verzamelingen van symptomen waarvan het idee is dat die sterk met elkaar correleren en dat ze minder sterk correleren met symptomen uit andere syndromen. De mate waarin dit zo is noemen we de “externe validiteit” van het syndroom. De laatste tijd is er veel kritiek op de DSM omdat uit allerlei epidemiologisch onderzoek is gebleken dat die validiteit veel lager is dan we dachten. Dit is een belangrijk punt van kritiek waar we in de volgende omdenkstappen nog op terug zullen komen. Maar de kritiek dat er in de GGZ teveel wordt gereïficeerd gaat daar nog aan vooraf. Zelfs wanneer een syndroom wel een redelijk hoge validiteit heeft, met andere woorden als het een aantal symptomen groepeert die heel vaak samen voorkomen en minder vaak afzonderlijk van elkaar, dan heb je het nog steeds over een construct dat bedoeld is om een patroon te herkennen, in dit geval een sterk patroon. Hoe dat patroon veroorzaakt wordt, weet je nog niet. Je somberheid wordt niet veroorzaakt door je depressie – met “depressie” bedoelen we dat je klachten aan een aantal criteria voldoen, waaronder somberheid. Misschien is de somberheid wel een veroorzaker van sommige andere symptomen.

Het volgende voorbeeld van Trudy Dehue maakt dit mooi duidelijk: stel je voor dat we het syndroom “Korte Lengte” (KL) definiëren als korter zijn dan 1.70m. Iedereen die korter is dan 1.70m voldoet aan de criteria van KL. Je begaat een begripsverwarring als je vervolgens over Henk zou zeggen dat hij nooit langer geworden is dan 1 meter 65 vanwege zijn KL. Dat is een foutieve causale omkering die veel gemaakt wordt. Bijvoorbeeld: “kinderen met ADHD kunnen zich door deze aandoening slecht concentreren,” of “een psychotische stoornis zorgt ervoor dat mensen achterdochtig kunnen worden bij oplopende stress.”

Dit soort reïficatie levert vaak twee kampen op. Enerzijds is er een kamp dat op zoek gaat naar de onderliggende oorzaken van psychische stoornissen in onze hersenen en ons genoom. Anderzijds is er een kamp dat de hele specialistische zorg voor psychische problemen wil opdoeken omdat stoornissen een verzinsel zijn van de GGZ. Je kunt deze standpunten zien als tegengestelden, maar ze zijn gebaseerd op dezelfde aanname dat stoornissen dingen zijn die of bestaan, of niet bestaan.

We zien dit overigens ook met een ander construct dat belangrijk is voor Redesigning Psychiatry: de eigen wil van personen. Ook over je eigen wil beweren wij ook dat het een patroon betreft dat je moet proberen te herkennen. Wat je ziet is dat ook de menselijke wil vaak voor een soort ding in ons hoofd wordt aangezien. Vervolgens krijg je enerzijds weer mensen die geloven dat we een soort vrije wil hebben die helemaal los staat van alle andere invloeden op ons gedrag. En het andere kamp beweert dat we helemaal geen eigen keuzes kunnen maken omdat zo’n soort ding niet bestaat.

In beide gevallen belanden we steeds weer in deze spagaat omdat we geen goede alternatieve taal hebben om te praten over deze patronen. Daarom is deze omdenkstap de basis voor de omdenkstappen die volgen: het ontwikkelen van een manier van praten en denken die zowel de menselijke wil als psychische problemen écht begrijpt als patronen en niet als dingen.

Terug naar omdenkstap 1: van dingen naar patronen