Het medische model van stoornis en behandeling

In stap 4 hebben we gezien dat we niet in één keer voor alle mensen kunnen opschrijven wat voor gedrag geestelijk het meest gezond zou zijn. De behoeften en omstandigheden van mensen zijn ten eerste te verschillend en ten tweede teveel aan hun eigen interpretaties onderhevig. In plaats daarvan hebben we een ideaal van sociale, psychologische en biologische veerkracht geformuleerd als manier voor mensen om met veranderingen om te kunnen gaan en rollen in hun sociale omgevingen te kunnen vinden waarin ze zichzelf kunnen zijn.

Vervolgens hebben we in stap 5 gezien dat het hele idee van een psychische stoornis eigenlijk niet goed past op veel van de problemen waarvoor mensen nu wel een stoornis gediagnosticeerd krijgen. In plaats daarvan spreken wij liever van “pihips” – probleem instandhoudende interactiepatronen. Daarbij gaat het meestal niet om een duidelijk aanwijsbare afwijking in een individu die allerlei symptomen veroorzaakt, maar veeleer om een netwerk van symptomen die op sociaal, psychologisch en neurobiologisch niveau elkaar versterken totdat er zo grote obstakels zijn ontstaan dat mensen niet langer hun doelen weten te bereiken.

In beide gevallen stellen we dus niet langer een lijst met gedragingen of symptomen centraal die we gezond of juist ziek noemen. In plaats daarvan stellen we het actorschap van mensen centraal zoals we dat in stap 3 hebben uitgewerkt. Laten we nu eens gaan kijken wat diezelfde omslag betekent voor de manier waarop je mensen het beste kunt helpen. Zowel het idee dat er vaste normen zijn voor gezondheid als het idee van stoornissen of ziekten maken deel uit van het medische model. Dit model sluit goed aan bij sommige aspecten van gezondheid. Je kunt studenten geneeskunde prima leren hoe een gezond hart eruit ziet of wat mensen nodig hebben om sterke en gezonde botten te houden. Je kunt ze ook leren hoe een ontsteking, vergiftiging, of fysieke beschadiging van een orgaan het functioneren ervan kan verstoren. En tenslotte kun je ze leren wat je dan moet doen om dat zo goed mogelijk te repareren: hoe je de stoornis kunt behandelen. Deze manier van denken hebben we ook toegepast in de geestelijke gezondheidszorg. Zo behandelen we een fobie met exposuretherapie of een depressie met medicijnen. Maar sluit deze manier van praten nog wel aan bij een visie gebaseerd op veerkracht en interactiepatronen?

Spreken over behandelen roept bij sommige mensen de associatie op van een passieve patiënt die een behandeling ondergaat om iets te repareren dat mis met hem is. Denk aan een operatie waarbij je als patiënt stil moet zitten of zelfs onder narcose gaat. Die associatie sluit niet meer zo goed aan bij de visie die we aan het ontwikkelen zijn, waarin het probleem vaak in de interactie tussen persoon en omgeving schuilt en hulp erop gericht is om het actorschap van die persoon te bevorderen. Maar het is wel belangrijk om hier genuanceerd over te blijven spreken. Onder narcose is een patiënt inderdaad passief, maar bij de revalidatiearts of de oefentherapeut niet. Veel problemen die we nu somatisch of fysiek noemen vereisen ook een behandelstrategie waarbij oude gewoonten moeten worden afgeleerd en nieuwe aangeleerd, en waarbij die strategie ook weer afhankelijk is van de behoeften en levenssituatie van de persoon in kwestie. Wat dat betreft geloven we ook helemaal niet in een fundamenteel onderscheid tussen psychische en somatische gezondheid. En het is ook niet onze bedoeling om als een soort taalpolitie te gaan optreden wanneer psychologen het bijvoorbeeld hebben over een EMDR behandeling. Tegelijkertijd erkennen we ook het feit dat woorden zoals “stoornis”, “patiënt” en “behandeling” in de geestelijke gezondheidszorg ook een politieke lading hebben gekregen als gevolg van een machtsdynamiek die in bijvoorbeeld de somatische oefentherapie niet op die manier meespeelt.

Het is in de context van deze nuances dat we proberen om het doel van hulp opnieuw te definiëren.