Subjectivisme en objectivisme in de GGZ

De tegenstelling tussen subjectivisme en objectivisme over de behoeften van cliënten zie je op verschillende plaatsen opduiken in de geschiedenis van de GGZ. Het paternalisme gaat bijvoorbeeld uit van een objectieve behoefte aan zorg die door een expert moet worden ingeschat. De antipsychiatrie baseerde zich heel sterk op subjectieve behoeften van vrije individuen, zo sterk zelfs dat elke vorm van objectiveerbare psychopathologie stellig werd ontkend. De nondirectieve therapie accepteerde wel dat mensen soms dingen over zichzelf moeten leren, maar gaat ervan uit dat je dat het beste kunt bereiken door mee te gaan met de wensen van de cliënt. Hiertegenover stelt de directieve therapie juist weer een objectiever gezichtspunt, vanwaaruit de therapeut een veel meer sturende rol krijgt.

Tenslotte zie je de twee gezichtspunten ook terug in ons denken over welzijn en kwaliteit van leven. Soms operationaliseren we dit op een subjectieve manier, door mensen te vragen hoe ze zich voelen, bijvoorbeeld door een streepje te trekken op een schaal van 0 tot 100. We gaan er dan vanuit dat mensen blijkbaar via introspectie een getal kunnen produceren over hoe goed het met ze gaat. Soms operationaliseren we het juist via objectieve, gestandaardiseerde criteria voor kwaliteit van leven. We gaan er dan vanuit dat alle mensen tot op zekere hoogte toch dezelfde dingen nodig hebben.

De meeste mensen zien wel in dat zowel een puur subjectief als een puur objectief gezichtspunt problematisch is. Enerzijds komt het nu eenmaal voor dat mensen hun eigen situatie (even) niet goed kunnen inschatten. Daardoor wachten ze misschien te lang met hulp vragen, hebben ze niet door dat ze hulp nodig hebben, of blijven ze juist teveel vasthouden aan een subjectief verlangen naar bepaalde zorg of ondersteuning die eigenlijk niet goed helpt of zelfs averechts werkt. Anderzijds heeft de GGZ een sterk paternalistische geschiedenis waarin onethische dwang werd toegepast en maatschappelijke intolerantie op het gebied van bijvoorbeeld seksuele geaardheid het uitgangspunt was voor classificatie en diagnose.

De oplossing die mensen vaak zoeken is om dan maar “de gulden middenweg” te vinden. Bijvoorbeeld door op een vragenlijst over kwaliteit van leven zowel subjectieve als objectieve vragen te zetten en de scores dan maar bij elkaar op te tellen. Of door in een ethisch kader op te schrijven dat respect voor de autonomie van de cliënt altijd moet worden afgewogen tegen de plicht om te helpen waar nodig en schade te voorkomen. Maar vervolgens blijven we met elkaar van mening verschillen over hoe we die afweging moeten maken en waar de gulden middenweg nu precies ligt.

Het model van actorschap dat we bij Redesigning Psychiatry als uitgangspunt nemen is bedoeld om die impasse te doorbreken.