3. Van spontaan willen naar verhalen vertellen

Mensen zijn verhalenvertellers. We vertellen verhalen die betekenis geven aan ons gedrag. Dat gedrag vertonen we meestal automatisch, op grond van gewoonten die we in de praktijk hebben aangeleerd. Toch kunnen we zulke gewoonten ook doorbreken en veranderen. Dat doen we door nieuwe verhalen te bedenken over welke gewoonten beter voor ons zouden werken. Onze wil is een patroon dat we met zulke verhalen proberen te herkennen in de interacties waar we ons goed en niet goed bij voelen. We kunnen ons daarover vergissen: dan denken we dat we iets willen en komen we er later achter dat we eigenlijk iets anders wilden.

Waar hebben mensen behoefte aan?

In discussies over zorg en politiek gaat het uiteindelijk om de behoeften van mensen. Wat hebben mensen nodig? In zulke discussies spelen vaak twee tegengestelde benaderingen een rol. Volgens de eerste benadering zijn behoeften subjectief. Als je wilt weten wat voor behoeften bepaalde mensen hebben, moet je gewoon aan die mensen vragen wat ze willen. Verschillende mensen hebben nu eenmaal verschillende behoeften, en alleen de persoon zelf kan bepalen wat hij nodig heeft: op grond van zijn gevoel, of door simpelweg te kiezen wat hij wil.

De tweede benadering zegt het tegengestelde: behoeften zijn objectief. Volgens deze benadering volgen onze behoeften uit feiten over onze biologie, psychologie, en situatie. Aanhangers van deze benadering vinden dat je op basis van zulke feiten soms kunt vaststellen dat wat iemand zelf wil niet hetzelfde is als wat hij eigenlijk nodig heeft. Men redeneert bijvoorbeeld als volgt: iemand met een ernstige verslaving heeft behoefte aan zorg, ook als die persoon dat zelf niet wil, of helemaal niet vindt dat hij verslaafd is.

Deze tegenstelling zie je op verschillende plaatsen opduiken in de geschiedenis van de GGZ. Het is eigenlijk de motor achter heel veel meningsverschillen. Maar hoe kunnen we die tegenstelling doorbreken? Het lijkt alsof de subjectivisten en de objectivisten totaal verschillende opvattingen hebben over menselijke behoeften. Subjectivisten stellen behoeften gelijk aan wat de persoon zelf besluit te willen. Objectivisten onderscheiden behoeften juist van de wil. Maar dat scherpe onderscheid maken objectivisten vaak juist wel door het met de subjectivisten eens te zijn dat wat de persoon zelf wil iets heel subjectiefs en individueels is. De paternalistische traditie, bijvoorbeeld, gaat eigenlijk altijd uit van een conflict tussen de expert en de cliënt. De cliënt wil X, maar de expert wil Y. De wil van de cliënt wordt daarbij gezien als een subjectief gegeven, een soort gevoel of beslissing van de cliënt op een bepaald moment. Als je de autonomie van de cliënt altijd volledig zou respecteren, dan zou je altijd moeten doen wat de cliënt zegt, en dat kan natuurlijk niet, en dus kun je helaas nu eenmaal niet altijd de autonomie van de cliënt respecteren! Zo redeneert de paternalist.

Praktijken en verhalen

Volgens ons zit het probleem in die aanname over wat mensen nu eigenlijk zelf willen. Het idee dat we een soort spontane wil hebben, een soort subjectief vermogen om te voelen of te beslissen wat we nodig hebben, dat is maar een zeer beperkte en misleidende opvatting van het menselijk handelen. Om twee verschillende redenen:

  • Ten eerste handelen we meestal niet op basis van een spontane bewuste beslissing die we op het moment zelf maken. We handelen meestal uit ingesleten gewoontes, in reactie op wat er om ons heen gebeurt en in samenspel met wat andere mensen aan het doen zijn. Dit geldt niet alleen voor ons nonverbale gedrag, maar ook voor ons talige handelen! We zeggen dingen vaak zonder er al te veel bij na te denken.
  • Ten tweede weten we vaak helemaal niet goed wat we willen. En als we daarover twijfelen, dan is het vaak geen goede oplossing om dan maar gewoon spontaan iets te beslissen. Vaak gaan we op onderzoek uit om erachter te komen wat we willen. Of als we wel iets besloten hadden, dan komen we daar soms op terug als we ontdekken dat het toch niet zo’n goed idee was. Soms maken we zelfs gebruik van coaching of therapie om erachter te komen wat we willen.

Het psychologische idee dat mensen vooral automatisch handelen past heel goed in de ecologische visie die we in de vorige omdenkstap hebben verwoord. Voor zover we automatisch handelen, doen we dat ten eerste in interactie met onze omgeving, en ten tweede op basis van gewoonten die we hebben aangeleerd. De combinatie van een omgeving waar mensen vertrouwd mee zijn en de gewoonten die in die omgeving passen noemen we ook wel een praktijk. Praktijken zijn dus een soort sociale ecosystemen, en net als alle andere ecosystemen kunnen praktijken in een equilibrium verkeren of een transitie doormaken. Wanneer een praktijk in een equilibrium verkeert, zijn de gewoonten op basis waarvan we handelen in evenwicht. Met evenwicht bedoelen we hier niet dat de praktijk ook eerlijk is of dat iedereen even goed behandeld wordt. De praktijk op je werkvloer kan bijvoorbeeld heel seksistisch zijn. In zo’n geval is er sprake van een onwenselijk equilibrium. De reden waarom zaken als seksisme of racisme zo hardnekkig blijken te zijn, is nu juist omdat ze in stand gehouden worden door heel veel aangeleerd automatisch gedrag.

Praktijken zijn echter meer dan alleen aangeleerde gewoonten en automatische sociale interacties. Praktijken worden ook gevormd door de verhalen die we vertellen over onze gewoonten en interacties. Praktijken waarin vrouwen systematisch andere rollen krijgen toebedeeld, of aan andere verwachtingen moeten voldoen, dan mannen steunen bijvoorbeeld op verhalen over mannen en vrouwen die we in onze cultuur met de paplepel krijgen ingegoten (de sterke prins redt bijna altijd de kwetsbare prinses). We gebruiken zulke verhalen om ons gedrag te rechtvaardigen.

Een nieuw model van actorschap

Hoe verhoudt dit vertellen van verhalen zich nu precies tot ons automatische gedrag? Wij zien verhalen als interpretaties van gewoontes. Verhalen sturen ons gedrag niet zozeer direct, maar indirect: ze begeleiden de sociale systemen waar we deel van uitmaken en maken duidelijk waarom we deze gewoonten hebben. Sommige verhalen zijn gedeeld in onze hele cultuur, andere verhalen bestaan op het niveau van je vriendengroep, gezin of bedrijf. We vertellen ook verhalen over hoe we van elkaar verschillen, wat ieders rol is, wat we belangrijk vinden of nodig hebben. Verhalen zijn dus het medium waarin we onze behoeften uitdrukken.

Veel filosofen hebben het belang van verhalen voor menselijk actorschap – ons vermogen om zelf onze levens te leiden – benadrukt (Schechtman 2011; Dennett, 1992; Taylor, 1976; Velleman, 2005). Een moeilijke vraag die veel van zulke benaderingen echter oproepen is hoe je kunt weten of iets een ‘goed’ verhaal is. Vaak blijven zulke benaderingen steken in een vorm van coherentisme: als de verhalen die je over jezelf of elkaar vertelt een mooi samenhangend geheel vormen, die betekenis geeft aan wat je doet, dan breng je je identiteit als het ware tot stand door dat verhaal over jezelf te vertellen. Het probleem hiermee is dat een externe toetssteen ontbreekt: soms is het feit dat mensen zo’n mooi verhaal bij hun huidige praktijk hebben bedacht nu juist het probleem waardoor ze niet uit die praktijk weten los te breken. Verhalen zijn noodzakelijk maar ook gevaarlijk: een coherent verhaal kan ervoor zorgen dat je je ogen sluit voor elke tegenwerping, elke ervaring of elk stukje bewijs. Dit geldt zowel op individueel als op maatschappelijk niveau.

Om dit probleem van de externe toetsing op te lossen is coherentie niet voldoende. Verhalen geven niet alleen betekenis aan je gewoontes, ze koppelen er ook verwachtingen aan. Op basis van verhalen verwacht je dat je bepaalde dingen prettig zult vinden en andere niet. Je verwacht dat je op een bepaalde manier zult reageren op het gedrag van anderen en op de gevolgen van je eigen daden. Om die verwachtingen echt te kunnen toetsen zal je ze moeten vergelijken met de verwachtingen die zouden voortvloeien uit een ander verhaal (Voerman, 2011). Pas als je verschillende alternatieve verhalen serieus neemt zal je misschien nieuwe dingen uitproberen – en ontdekken dat mensen je dan helemaal niet stom vinden, of dat je daar spijt van krijgt, of dat je wel degelijk ook gelukkig kunt zijn zonder die baan, of zonder vlees te eten. Zulke alternatieve verhalen kun je vaak het beste ontdekken door te luisteren naar anderen – hoewel soms niet de mensen die je al je hele leven hetzelfde vertellen.

Door onze verwachtingen die uit verschillende verhalen volgen te confronteren met bestaande en nieuwe ervaringen leren we patronen kennen in onze interacties. Een mooi verhaal verzinnen is dus maar de helft van het verhaal. De kern van actorschap zit erin dat je met behulp van verhalen patronen in je responsen en relaties leert herkennen die je vertellen wie je bent en wat je wilt. We maken hier dus gebruik van het inzicht uit de eerste omdenkstap, dat psychische kenmerken patronen zijn en geen dingen. Dit geldt ook voor onze wil en onze behoeften! Een behoefte is dus noch een objectief ding dat een wetenschapper op basis van feiten ondubbelzinnig bij je kan vaststellen, noch een subjectieve ervaring die je onmiddellijk en bewust bij jezelf kunt vaststellen, of waarover je spontaan kunt beslissen, zo van “ik wil nu dit!” Dat geldt misschien voor andere psychische processen, zoals ergens zin in hebben, of boos over zijn, hoewel zelfs een directe heftige emotie op een bepaald moment vaak al interpretatie vereist met behulp van een verhaal. Ben je echt boos, of bang, of wat zit je nu eigenlijk dwars? Behoeften zitten als het ware nog een stap verder verwijderd van het oppervlak. Een verhaal over waar je behoefte aan hebt, is een verhaal dat kan verklaren waarom je in situatie X boos wordt of in situatie Y angstig.

Het voorgaande verduidelijkt waarom je wat mensen willen niet louter kunt definiëren op basis van een subjectieve of spontane beslissing. Wat wij mensen op een bepaald moment zeggen te willen is het verhaal waar we op dat moment in geloven, maar waarvan we later nog kunnen ontdekken dat het eigenlijk niet goed bij ons past. Behoefte is niet het verhaal dat we vertellen, maar het patroon dat we met onze verhalen proberen te vangen (Tiberius, 2015; Voerman, 2012). Daarbij gedragen verhalen zich niet zoals natuurkundige theoriëen, die precies meetbare voorspellingen doen. Verhalen zijn noodzakelijk vaag en verschillend te interpreteren. Het is daarom altijd goed om de verhalen die je over je behoeften vertelt met een korreltje zout te nemen.

Zodra je langs deze weg tot een nieuw verhaal bent gekomen over wat je wilt, is het natuurlijk ook nog zaak om te gaan proberen naar dat verhaal te handelen. Op basis van het model dat we nu hebben geschetst, moeten we concluderen dat dit meestal niet vanzelf zal gaan. Het betekent dat je nieuwe gewoontes moet ontwikkelen, praktijken moet omvormen, en met de mensen om je heen nieuwe interacties moet gaan ontwikkelen. Dat vergt tijd. En terwijl dat gebeurt, zal je ook nog moeten aanpassen. Erachter komen wat je wilt betekent trial en error. Het betekent soms ook dat je nieuwe gewoonten de tijd moet geven om zich te bewijzen. Als je de grote beslissing hebt genomen om je relatie te beeïndigen omdat je denkt dat je daar uiteindelijk gelukkiger van zult worden, dan weet je ook wel dat het de eerste weken of misschien zelfs maanden geen pretje zal zijn.

De actorcyclus

Op grond van deze inzichten kunnen we menselijk actorschap begrijpen als een cyclus. De cyclus begint met een situatie waarin je een verhaal hebt over je rol in een bepaalde praktijk. Vervolgens wordt dit verhaal, en daarmee de bestaande praktijk, ter discussie gesteld. Hetzij doordat de praktijk niet langer functioneert, hetzij doordat het idee wordt geopperd dat de status quo die door de praktijk in stand gehouden wordt eigenlijk een onwenselijke is. Vervolgens probeer je alternatieve verhalen te construeren over wat je zou kunnen willen of nodig hebben, of wat andere mensen van jou nodig hebben en hoe je hen beter zou kunnen behandelen. Op grond van zulke verhalen kun je verschillende voorspellingen doen over hoe je je na verloop van tijd zou voelen als de praktijk op een bepaalde manier zou veranderen. Tenslotte ga je één van die alternatieve verhalen uitproberen door oude gewoonten te doorbreken en nieuwe gewoonten te kweken. Is dat eenmaal gelukt, dan zal deze nieuwe praktijk zich na verloop van tijd moeten bewijzen. Voelen alle betrokken zich inderdaad beter bij de nieuwe gang van zaken? Kloppen de voorspellingen van het nieuwe verhaal? Dit kan ertoe leiden dat de cyclus weer opnieuw begint. De vorm van deze cyclus past in de ecologische visie van het bereiken en doorbreken van equilibria in een systeem van interacties.

In de meeste gevallen doorlopen we deze cyclus zonder dat we daar professionele hulp bij nodig hebben. Maar soms lukt dat niet, en in zulke gevallen nemen we ons toevlucht tot een bijzonder klasse van verhalen, namelijk verhalen over behoeften aan ondersteuning en interventie. We gaan verder in op zulke behoeften in de volgende omdenkstappen.

Meer over deze omdenkstap

Subjectivisme en objectivisme in de GGZ

De tegenstelling tussen subjectivisme en objectivisme over de behoeften van cliënten zie je op verschillende plaatsen opduiken in de geschiedenis ...
Verder Lezen

Volgende omdenkstap

4. Van maatschappelijke norm naar veerkrachtige diversiteit

Geestelijke gezondheid wordt nog steeds teveel gezien als normaal zijn, niet afwijken, aan bestaande verwachtingen voldoen. Maar mensen zijn gewoon ...
Verder Lezen